ECLI:NL:CRVB:2016:933
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor arbeid
Appellante was werkzaam als huishoudelijke hulp en ontving sinds 4 maart 2013 een WW-uitkering na beëindiging van haar dienstverband. Zij meldde zich op 4 november 2013 ziek vanwege slaapproblemen en duizeligheid. Een verzekeringsarts oordeelde op 28 november 2013 dat zij per 29 november 2013 geschikt was voor haar eigen arbeid, waarna het UWV het recht op ziekengeld introk.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV en de rechtbank Rotterdam ongegrond werd verklaard. In hoger beroep voerde zij aan dat de verzekeringsarts ten onrechte geen informatie bij het RIAGG had opgevraagd en onvoldoende rekening had gehouden met haar duizeligheidsklachten en medisch advies van haar huisarts.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het onderzoek zorgvuldig is verricht, dat de verzekeringsarts de geschiktheid goed heeft onderbouwd en dat het niet opvragen van RIAGG-informatie gerechtvaardigd was. De medische stukken die in hoger beroep zijn ingebracht, veranderen niets aan het oordeel. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering wordt bevestigd.