Uitspraak
.Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dezfouli. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering te beëindigen op grond van een professionele herbeoordeling waarin is vastgesteld dat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt is.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig was en het medisch oordeel juist. In hoger beroep stelde appellant dat de besluitvorming was gebaseerd op onjuiste feiten en dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn medicijngebruik en een brief van zijn psycholoog.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst adequaat waren vastgesteld, ook na beoordeling van de aanvullende brief en medicatie. Er waren geen medische gegevens die het oordeel van de verzekeringsartsen ter discussie stelden.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.