Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:901

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 maart 2016
Publicatiedatum
14 maart 2016
Zaaknummer
15/2184 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Verordening toeslagen en verlagingen WWBArt. 18 WWBArt. 30 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing hogere toeslag bij bijstand wegens onvoldoende onderbouwing gedeelde woonkosten

Appellant ontving bijstand als alleenstaande en kreeg een gemeentelijke toeslag van 10% omdat hij woonde bij zijn moeder en de kosten van het bestaan kon delen. Hij verzocht om een hogere toeslag van 20%, stellende dat zijn moeder een gering inkomen had en de woonkosten niet kon delen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant niet aannemelijk maakte dat de woonkosten niet gedeeld konden worden. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de enkele niet onderbouwde stelling van appellant onvoldoende is om de toeslag afwijkend vast te stellen. Er is onvoldoende duidelijkheid over de inkomsten van de moeder en of zij geen andere inkomsten had.

Ook heeft appellant niet aangetoond dat zijn bijstandsuitkering en de toeslag van 10% niet toereikend waren voor de noodzakelijke kosten van het bestaan. Daarom slaagt het hoger beroep niet en wordt de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de toeslag blijft vastgesteld op 10%.

Uitspraak

15/2184 WWB
Datum uitspraak: 8 maart 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
20 februari 2015, 14/8572 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.M.L. Theelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 26 januari 2016. Partijen zijn, het college met voorafgaand bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving met ingang van 30 augustus 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Omdat appellant de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kon delen met een ander, heeft het college de gemeentelijke toeslag vastgesteld op 10% van het netto minimumloon. Het college heeft de bijstand van appellant met ingang van 29 december 2013 ingetrokken omdat appellant per die datum in detentie zat.
1.2.
Appellant heeft op 25 februari 2014 een aanvraag ingediend om bijstand. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij bij zijn ouders woont.
1.3.
Het college heeft appellant bij besluit van 5 maart 2014, voor zover hier van belang, met ingang van 25 februari 2014 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande. Omdat appellant de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen met een ander, heeft het college de gemeentelijke toeslag vastgesteld op 10% van het netto minimumloon.
1.4.
Het college heeft het tegen het besluit van 5 maart 2014 ingediende bezwaar bij besluit van 4 augustus 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant een woning bewoont waarin tevens een ander, die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, het hoofdverblijf heeft. In een dergelijk geval dient, gelet op het bepaalde in artikel 3, aanhef en tweede lid, van de Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand (verordening), de bijstandsnorm met 10% te worden verhoogd. Appellant heeft niet ontkend dat hij de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen met (in ieder geval) zijn moeder. Appellant heeft niet door middel van stukken of op andere wijze aangetoond dat zijn bijstandsuitkering en de toeslag van 10% tezamen voor hem niet toereikend waren om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het geschil in hoger beroep is beperkt tot de vraag of het college appellant op juiste gronden in aanmerking heeft gebracht voor een gemeentelijke toeslag van 10%.
4.2.
Appellant voert aan dat het college hem een toeslag van 20% had moeten toekennen, omdat hij de woonkosten niet kan delen met zijn moeder. Zijn moeder heeft een gering inkomen uit arbeid en ontvangt geen aanvullende uitkering meer, waardoor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet gedeeld kunnen worden.
4.3.
De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat appellant de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kon delen met een ander. Appellant bewoont immers een woning waarin ook zijn ouders wonen. Uitgangspunt van de verordening is dat personen die met een ander een woning bewonen, in beginsel de kosten kunnen delen. Dit laat onverlet dat het college op grond van artikel 30, vierde lid, van de WWB en met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB de toeslag afwijkend dient vast te stellen als de individuele omstandigheden daartoe aanleiding geven. De enkele niet onderbouwde stelling van appellant dat de inkomsten van zijn moeder zo gering zijn dat de kosten van het wonen niet kunnen worden gedeeld, is niet voldoende om de toeslag afwijkend vast te stellen. Niet duidelijk is hoeveel inkomsten de moeder genoot, terwijl voorts niet is gebleken dat zij niet redelijkerwijs kon beschikken over andere inkomsten uit arbeid, dan wel een aanvullende bijstandsuitkering. Daar komt bij dat appellant ook in hoger beroep niet heeft aangetoond dat zijn bijstandsuitkering en de toeslag van 10% tezamen voor hem niet toereikend waren om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
4.4.
Gelet op 4.3 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een beoordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2016.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) M. Zwart

HD