ECLI:NL:CRVB:2016:898

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 maart 2016
Publicatiedatum
14 maart 2016
Zaaknummer
15/2503 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWB
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor verhuiskosten wegens ontbreken noodzakelijkheid

Appellant, een alleenstaande ouder met bijstand, vroeg bijzondere bijstand aan voor verhuiskosten, woninginrichting en vervanging van huishoudelijke apparaten. Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg wees de aanvraag af omdat de verhuizing niet noodzakelijk was; de woning beschikte reeds over twee slaapkamers en de kinderen woonden al geruime tijd bij appellant.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de kleine behuizing van zijn vorige woning de verhuizing noodzakelijk maakte en dat schulden hem verhinderden eerder te verhuizen. De Raad oordeelde dat het feit dat de kinderen al sinds 2011 bij appellant wonen en dat de woning twee slaapkamers had, niet leidt tot een noodzakelijke verhuizing. Schulden en betalingsverplichtingen rechtvaardigen ook geen bijzondere bijstand.

Verder werd vastgesteld dat de koelkast en het fornuis niet noodzakelijk vervangen hoefden te worden, omdat tijdens een huisbezoek een volledig ingerichte woning met een werkende koelkast werd aangetroffen. De Raad concludeerde dat de aanvraag voor bijzondere bijstand terecht was afgewezen en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.

Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 8 maart 2016.

Uitkomst: De aanvraag voor bijzondere bijstand voor verhuiskosten en woninginrichting wordt afgewezen wegens ontbreken van noodzakelijkheid.

Uitspraak

15/2503 WWB
Datum uitspraak: 8 maart 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 februari 2015, 14/5937 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt bijstand, ten tijde in geding op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. In november 2011 zijn de twee kinderen van appellant bij hem komen wonen. Appellant heeft op 24 maart 2014 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van woninginrichting en verhuizing naar een grotere woning, alsmede voor de kosten van vervanging van de koelkast en aanschaf van een fornuis.
1.2.
Bij besluit van 10 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 september 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat geen sprake is van sociale omstandigheden die de verhuizing noodzakelijk maakte. De kinderen van appellant zijn in november 2011 bij hem komen wonen en zijn toenmalige woning beschikte over twee slaapkamers. De grootte van de woning maakte daarom niet dat sprake is van een noodzakelijke verhuizing. Voor zover de aanvraag ziet op de vervanging van de koelkast en de aanschaf van een fornuis heeft appellant ook niet aangetoond dat deze kosten noodzakelijk zijn.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft het bijstandverlenend orgaan ingevolge deze bepaling een zekere beoordelingsvrijheid. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten, voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
4.2.
Niet in geschil is dat de kosten van de verhuizing en woninginrichting zich voordeden. Tussen partijen is in geschil of sprake was van noodzakelijke kosten.
4.3.
De grond van appellant dat de kleine behuizing van zijn vorige woning betekent dat sprake is van een noodzakelijke verhuizing, slaagt niet. Vaststaat dat de kinderen van appellant in november 2011 bij hem zijn komen wonen en geruime tijd samen met appellant in zijn vorige woning hebben gewoond. Dat sprake was van een kleine behuizing en voor appellant na de komst van zijn kinderen duidelijk was dat zij niet in deze woning wilden blijven wonen, maakt niet dat sprake was van een noodzakelijke verhuizing. De grond dat appellant gedurende langere tijd heeft geprobeerd te verhuizen, maar dat er mede gelet op zijn schulden geen mogelijkheden waren om te verhuizen, leidt niet tot een ander oordeel. Het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen maakt immers niet dat om die reden wel sprake zou zijn van een noodzakelijke verhuizing.
4.4.
Ten aanzien van de kosten van vervanging van de koelkast en aanschaf van het fornuis heeft appellant evenmin aannemelijk gemaakt dat deze kosten noodzakelijk zijn. Daartoe is van belang dat tijdens het huisbezoek op 9 april 2014 een volledig ingerichte woning en een koelkast in werkende staat is aangetroffen.
4.5.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2016.
(getekend) G.M.G. Hink
(getekend) C. Moustaïne

HD