Appellante ontving sinds 2009 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV trok deze uitkering in 2012 in omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het medisch en arbeidskundig onderzoek als zorgvuldig werd beoordeeld.
In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen waren onderschat, met name vanwege klachten aan schouder en teen en het gebruik van medicatie die autorijden zou beperken. De Raad oordeelde dat de medische rapporten overtuigend aantonen dat de beperkingen op de datum van intrekking niet zodanig waren dat zij aanspraak kon maken op een WAO-uitkering.
De functies die als passend werden aangemerkt, waren medisch en arbeidskundig verantwoord. Het hoger beroep werd afgewezen, maar het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante wegens de late medische onderbouwing in hoger beroep.