ECLI:NL:CRVB:2016:885
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing nieuwe bijstandsaanvraag wegens ontbreken hoofdverblijf op opgegeven adres
Appellant ontving sinds 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een huisbezoek in april 2014 concludeerde het college dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres, waarop de bijstand werd ingetrokken. Appellant diende vervolgens een nieuwe aanvraag in, die het college afwees wegens het ontbreken van gewijzigde omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad overwoog dat het aan appellant is om aan te tonen dat hij op het moment van de nieuwe aanvraag wel aan de voorwaarden voldoet, waaronder het hebben van hoofdverblijf op het opgegeven adres.
Uit het tweede huisbezoek bleek dat de woon- en leefsituatie onvoldoende bewijs leverde voor hoofdverblijf: matrassen zonder lakens, weinig waterverbruik, geen afvallediging, geen persoonlijke kleding zichtbaar, en appellant gaf geen toelichting op vragen. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat appellant op het adres woonde.
De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de aanvraag en wees een proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens het ontbreken van hoofdverblijf op het opgegeven adres.