ECLI:NL:CRVB:2016:875
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongegrondverklaring bezwaar tegen beëindiging Ziektewetuitkering na eerstejaarsbeoordeling
Appellant, laatstelijk magazijnmedewerker, meldde zich ziek wegens psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaarsbeoordeling concludeerde een verzekeringsarts dat appellant beperkingen had, maar geschikt was voor andere passende functies. De arbeidsdeskundige stelde vast dat appellant met deze functies meer dan 65% van het maatmaninkomen kon verdienen. Het UWV besloot daarom de ZW-uitkering te beëindigen.
Appellant maakte bezwaar en beroep, waarbij aanvullend medisch onderzoek plaatsvond. Ondanks een kleine rugafwijking en aanvullende klachten, bleef de arbeidsdeskundige bij zijn oordeel dat appellant geschikt was voor de geselecteerde functies. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen werden onderschat, ondersteund door een medisch rapport. De Raad volgde dit niet, omdat de klachten niet eerder waren gemeld en de medische beoordeling op de relevante datum correct was. De Raad bevestigde dat appellant met de geselecteerde functies meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het beëindigen van de Ziektewetuitkering wordt ongegrond verklaard.