Uitspraak
OVERWEGINGEN
,wat voor de theoretische mate van arbeidsongeschiktheid geen gevolgen heeft. Het Uwv heeft het ingenomen standpunt gehandhaafd.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, sinds 1998 arbeidsongeschikt vanwege psychische klachten, ontving een WAO-uitkering met een aanvankelijke arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. Na toename van haar klachten in 2011 en diverse medische expertises, stelde het UWV haar arbeidsongeschiktheid bij besluiten in 2013 vast op wisselende klassen, uiteindelijk op 45 tot 55%.
Appellante maakte bezwaar tegen de herziening en voerde aan dat haar beperkingen werden onderschat, onder meer omdat zij slechts zes tot negen uur per week zou kunnen werken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde op basis van medische rapporten een urenbeperking van twintig uur per week vast, wat leidde tot een vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 65 tot 80%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de medische en arbeidskundige onderbouwing van het UWV voldoende was en dat de niet-medische verklaringen onvoldoende aanleiding gaven tot twijfel. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak, oordelend dat de verzekeringsarts de beperkingen adequaat had meegewogen en dat de aanvullende informatie geen aanleiding gaf tot wijziging.
De Raad concludeert dat het hoger beroep faalt en bevestigt het bestreden besluit, waarmee de WAO-arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 1 augustus 2013 op 65 tot 80% wordt vastgesteld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 65 tot 80% met een urenbeperking van twintig uur per week.