ECLI:NL:CRVB:2016:764
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- H. van Leeuwen
- P. Vrolijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering na medische en arbeidskundige beoordeling
Appellant, voormalig betonijzervlechter, viel in 2002 uit met elleboogklachten en kreeg aanvankelijk een WAO-uitkering van 35-45%. Na operaties in 2011 en een verslechtering van zijn gezondheid werd de uitkering in 2012 verhoogd naar 80-100%. Een latere herbeoordeling door het UWV leidde tot een verlaging naar 35-45% arbeidsongeschiktheid, wat appellant betwistte.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de medische beoordeling zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen adequaat waren vastgesteld. Ook de arbeidsdeskundige had de geselecteerde functies (snackbereider en magazijn/expeditiemedewerker) voldoende gemotiveerd als passend, ondanks beperkingen in knijp- en grijpkracht.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de beperkingen onderschat waren en dat het maatmanloon onjuist was vastgesteld, met name door het niet meenemen van vakantiebonnen. De Raad concludeerde dat de medische beoordeling voldoende onderbouwd was, dat de arbeidskundige motivering toereikend was en dat de wijze van berekening van het maatmanloon correct was toegepast.
De Raad zag geen reden om een onafhankelijke deskundige te benoemen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de herziening van de WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid en verklaart het hoger beroep ongegrond.