ECLI:NL:CRVB:2016:761
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wajong-uitkering wegens onvoldoende ingezetenschap en arbeidsbeperkingen
Appellant, geboren op 30 juni 1991, vroeg op 30 mei 2013 een Wajong-uitkering aan, die door het UWV werd afgewezen omdat hij op zijn zeventiende verjaardag geen ingezetene was en minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant pas kort na zijn zeventiende verjaardag in Nederland kwam wonen en dat er onvoldoende bewijs was voor een duurzame band met Nederland op de peildatum.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de beperkingen van appellant, ondanks zijn Ehlers Danlos syndroom, niet zwaarder waren dan door de verzekeringsartsen vastgesteld. Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel ingezetene was en dat zijn beperkingen ernstiger waren, maar kon dit niet met nieuwe gegevens onderbouwen.
De Raad onderschreef de rechtbank en voegde toe dat appellant in 2013 geschikt werd bevonden voor schoonmaakwerk en taxichauffeurswerk. Zonder aanvullende medische stukken bleef het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Wajong-uitkering wegens onvoldoende ingezetenschap en minder dan 25% arbeidsongeschiktheid.