ECLI:NL:CRVB:2016:74
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onduidelijkheid feitelijk woonadres
Appellant heeft bijstand aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en opgegeven een kamer te huren aan een bepaald adres. Naar aanleiding van deze aanvraag voerde de gemeente Smallingerland een onderzoek uit, waaronder een huisbezoek. Hierbij werd vastgesteld dat appellant niet beschikte over een huurovereenkomst, geen huur betaalde, geen sleutel had en dat zijn bezittingen grotendeels elders waren opgeslagen.
Het college wees de aanvraag af wegens onvoldoende duidelijkheid over het feitelijke woonadres, een besluit dat door de rechtbank werd bevestigd. Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel voldoende duidelijkheid had verschaft en dat het college zijn verklaringen onvoldoende had meegewogen.
De Raad oordeelde dat op basis van concrete feiten en omstandigheden, waaronder de bevindingen bij het huisbezoek en de verklaringen van appellant, niet aannemelijk was gemaakt dat appellant woonachtig was op het opgegeven adres. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag bijstand wordt afgewezen omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij woonachtig is op het opgegeven adres.