ECLI:NL:CRVB:2016:695
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor WIA-functies
Appellante was werkzaam als chauffeur/koerier en ontving na beëindiging van haar dienstverband een WW-uitkering. Na ziekmelding en medische beoordeling stelde het UWV vast dat zij per 7 november 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt was voor functies als calculator bouwkundig en samensteller metaalwaren. Hierdoor werd haar WIA-uitkering geweigerd en ontving zij opnieuw een WW-uitkering.
Na een nieuwe ziekmelding in 2012 en een herniaoperatie werd zij per 3 december 2013 door een bedrijfsarts geschikt geacht voor de geselecteerde WIA-functies. Het UWV beëindigde daarop haar ziekengelduitkering. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen medische gegevens waren die een andere beoordeling rechtvaardigden.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt van voortdurende arbeidsongeschiktheid. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het begrip 'zijn arbeid' conform vaste rechtspraak betekent de laatst verrichte arbeid, maar dat bij blijvende ongeschiktheid voor die arbeid en geen hervatting van enig werk, gangbare arbeid als maatstaf geldt, zoals de geselecteerde WIA-functies.
De Raad stelde vast dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de klachten van appellante haar niet verhinderen de geselecteerde functies te verrichten. Appellante bracht geen nieuwe medische gegevens in die dit tegenspraken. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor ten minste één van de geselecteerde WIA-functies.