ECLI:NL:CRVB:2016:692
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld bij beperkte arbeidsongeschiktheid
Appellant, die een WAO-uitkering ontvangt met een arbeidsongeschiktheid van 35-45%, meldde zich ziek wegens rugklachten en pijn aan zijn linkerschouder en -arm. Het UWV stelde op 19 februari 2013 vast dat appellant per 25 februari 2013 geen recht meer had op ziekengeld, omdat hij geschikt werd geacht voor ten minste twee van de geselecteerde functies binnen de WAO-beoordeling.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de ernst van zijn aandoeningen, zoals vastgesteld door een orthopedisch chirurg, onvoldoende was meegewogen en dat het resultaat van een MRI-scan had moeten worden afgewacht. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die de beperkingen van appellant overtuigend had gemotiveerd en slechts één functie had laten vervallen, juist was.
De Raad volgde het UWV in de beoordeling dat het niet noodzakelijk was te wachten op de MRI-uitslag en dat de medische beperkingen van appellant niet zodanig waren dat hij niet geschikt was voor de overige functies. De rechtbank had terecht geoordeeld dat appellant geschikt was voor twee functies en dat het besluit van het UWV om het recht op ziekengeld te beëindigen correct was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat appellant geen recht heeft op ziekengeld wordt bevestigd.