Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:692

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 februari 2016
Publicatiedatum
1 maart 2016
Zaaknummer
14/4425 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Ziektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op ziekengeld bij beperkte arbeidsongeschiktheid

Appellant, die een WAO-uitkering ontvangt met een arbeidsongeschiktheid van 35-45%, meldde zich ziek wegens rugklachten en pijn aan zijn linkerschouder en -arm. Het UWV stelde op 19 februari 2013 vast dat appellant per 25 februari 2013 geen recht meer had op ziekengeld, omdat hij geschikt werd geacht voor ten minste twee van de geselecteerde functies binnen de WAO-beoordeling.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat de ernst van zijn aandoeningen, zoals vastgesteld door een orthopedisch chirurg, onvoldoende was meegewogen en dat het resultaat van een MRI-scan had moeten worden afgewacht. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die de beperkingen van appellant overtuigend had gemotiveerd en slechts één functie had laten vervallen, juist was.

De Raad volgde het UWV in de beoordeling dat het niet noodzakelijk was te wachten op de MRI-uitslag en dat de medische beperkingen van appellant niet zodanig waren dat hij niet geschikt was voor de overige functies. De rechtbank had terecht geoordeeld dat appellant geschikt was voor twee functies en dat het besluit van het UWV om het recht op ziekengeld te beëindigen correct was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat appellant geen recht heeft op ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

14/4425 ZW
Datum uitspraak: 24 februari 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
26 juni 2014, 13/3668 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. N. Köse-Albayrak, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E. Kaya, kantoorgenoot van mr. Köse-Albayrak. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant ontvangt een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Appellant werd met zijn beperkingen in staat geacht functies als productiemedewerker, samensteller kunststof- en rubberindustrie en wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur te verrichten. Daarnaast is appellant door het Uwv in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).
1.2.
Appellant heeft zich op 28 januari 2013 ziek gemeld wegens rugklachten en pijn aan zijn linkerschouder en -arm. In verband hiermee heeft hij op 19 februari 2013 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 25 februari 2013 geschikt geacht voor (ten minste één van) de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 19 februari 2013 vastgesteld dat appellant per 25 februari 2013 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 25 april 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van
19 april 2013 ten grondslag, waaruit blijkt dat deze arts appellant niet geschikt acht voor de functie van samensteller kunststof- en rubberindustrie, maar wel voor de twee andere, in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank haar oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Appellant blijft van mening dat het resultaat van de MRI-scan afgewacht had moeten worden. Het Uwv en de rechtbank hebben onvoldoende rekening gehouden met de ernst van zijn aandoeningen, zoals die blijken uit het rapport van de orthopaedisch chirurg J.C. Peerbooms van 13 mei 2013. Zijn beperkingen zijn onderschat en met zijn beperkingen is hij niet in staat de functies te verrichten, omdat die functies intensief gebruik van zijn arm vereisen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de WAO. Zoals vaker is geoordeeld gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies. Nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep één functie heeft laten vervallen, gaat het om de geschiktheid voor de functies van productiemedewerker industrie en wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur.
4.2.
Het door het Uwv ingenomen standpunt dat het niet noodzakelijk was te wachten op de uitslag van de MRI wordt gevolgd. De verzekeringsartsen hebben rekening gehouden met een beperkte nek- en schouderfunctie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft wegens die beperkte nek- en schouderfunctie appellant voor één van de functies niet geschikt geacht. Bij de verzekeringsartsen bestond geen onduidelijkheid over de klachten en de beperkingen. Zoals terecht is opgemerkt is een exacte diagnose minder belangrijk.
4.3.
Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de uitslag van de MRI, zoals neergelegd in het rapport van Peerboom van 13 mei 2013 geen aanleiding geeft voor het innemen van een ander standpunt is op navolgbare wijze en afdoende gemotiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft terecht opgemerkt dat Peerboom heeft vastgesteld dat de bewegingsuitslagen van de nek niet beperkt zijn en axiale druk geen pijn geeft. De schouderfunctie links is evenmin afwijkend en Peerboom stelt vast dat het radiologisch beeld niet overeen komt met het klinisch beeld. De conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de door Peerboom vastgestelde bicepspees tendinitis en cervicale radiculopathie niet leiden tot meer beperkingen dan al zijn aangenomen is overtuigend gemotiveerd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant per 25 februari 2013 voor twee van de in het kader van de WAO geselecteerde functies geschikt is geacht. Het Uwv heeft op goede gronden beslist dat appellant vanaf 25 februari 2013 geen recht heeft op ziekengeld.
5. De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter, in tegenwoordigheid van
N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2016.
(getekend) M.C. Bruning
(getekend) N. Veenstra

UM