ECLI:NL:CRVB:2016:678
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens verblijf buitenland langer dan vier weken zonder dringende redenen
Appellant ontving bijstand en meldde een verblijf in het buitenland van 12 december 2012 tot en met 11 maart 2013. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok de bijstand over de periode van 9 januari 2013 tot en met 11 maart 2013 in en vorderde de kosten terug omdat appellant langer dan vier weken aaneengesloten in het buitenland verbleef, wat volgens artikel 13 WWB Pro niet is toegestaan.
Appellant voerde aan dat er sprake was van zeer dringende redenen vanwege zijn medische situatie, waaronder een hartstilstand en agorafobie, en dat hij in Brazilië geen last had van deze klachten. De Raad oordeelde echter dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn verblijf in het buitenland medisch noodzakelijk was en dat er sprake was van een acute noodsituatie zoals vereist in artikel 16 WWB Pro.
Daarnaast faalde het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat het college geen ondubbelzinnige toezegging had gedaan dat appellant met behoud van bijstand langer dan vier weken in het buitenland mocht verblijven. De Raad bevestigde daarom het besluit van de rechtbank Amsterdam en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 1 maart 2016.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand wegens verblijf in het buitenland langer dan vier weken zonder zeer dringende redenen.