ECLI:NL:CRVB:2016:647
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van Wubo
Appellant diende een aanvraag in om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Hij stelde dat zijn gezin na de Japanse capitulatie mishandeld werd en dat hij de aanval van kapitein Westerling had meegemaakt.
Verweerder wees de aanvraag af omdat appellant zelf geen gebeurtenissen had meegemaakt die onder de werking van de Wubo vallen. De mishandeling van zijn vader vond plaats vóór zijn geboorte en de gebeurtenissen na de soevereiniteitsoverdracht in 1949 vallen buiten de Wubo.
Appellant voerde bezwaar aan met aanvullende omstandigheden zoals gevangenschap in een ziekenhuis en een gewonde hoofdwond door een val tijdens een evacuatie. De Raad concludeerde dat hiervoor onvoldoende bewijs was, mede omdat verklaringen van één familielid zonder verdere ondersteuning onvoldoende zijn om levensbedreigende omstandigheden aan te nemen.
De Raad handhaafde het bestreden besluit en verklaarde het beroep ongegrond. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellant geen gebeurtenissen heeft meegemaakt die onder de Wubo vallen.