Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 24 juni 2014 in stand blijven;
- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 1.984,-;
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving vanaf 2003 een AOW-pensioen en aanvullende bijstand in de vorm van AIO-aanvulling. Na een huisbezoek in 2012 en onderzoek van de Nederlandse ambassade in Ankara bleek dat zij een woning in Turkije bezat, die zij niet had gemeld. De Sociale verzekeringsbank (Svb) trok de AIO vanaf 2006 in en vorderde kosten terug wegens het niet melden van dit vermogen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar in hoger beroep vernietigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat de taxatie van de woning uit 2013 niet kon worden teruggevoerd naar 2006, zodat het vermogen vanaf dat jaar niet vaststond. Wel stond vast dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden door het bezit pas in 2012 te melden.
De Raad bepaalde dat de intrekking en terugvordering terecht waren vanaf het moment van taxatie in 2013, maar niet vanaf 2006. Dringende redenen om af te zien van terugvordering waren niet aannemelijk. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit bleven in stand, maar het besluit werd vernietigd wegens strijd met de Algemene wet bestuursrecht. De Svb werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van de AIO-aanvulling wordt vernietigd wegens onduidelijkheid over het vermogen vanaf 2006, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.