ECLI:NL:CRVB:2016:6
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens ontbreken hoofdverblijf op opgegeven adres
Appellant diende op 23 mei 2012 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en gaf als verblijfadres het adres van zijn zus op. Het college wees de aanvraag af omdat appellant geen hoofdverblijf had op dat adres. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de bevindingen van een huisbezoek onvoldoende duidelijkheid gaven over het verblijf van appellant.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij wel degelijk op het uitkeringsadres woonde en dat de bevindingen van het huisbezoek dit niet rechtvaardigden. Hij stelde dat hij tijdelijk bij zijn zus verbleef en geen toegang had tot zijn persoonlijke spullen vanwege een tijdelijk huisverbod bij zijn ex-partner.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres had. Het ontbreken van persoonlijke verzorgingsproducten en post op het adres, en het feit dat appellant sinds april 2012 op dat adres stond ingeschreven maar geen persoonlijke bezittingen aantoonde, waren zwaarwegend. Het beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd.