Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:58

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 januari 2016
Publicatiedatum
12 januari 2016
Zaaknummer
14/6704 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbWet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen mededeling ontheffing en vakantieduur WWB

Appellant ontvangt sinds 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Arnhem heeft appellant ontheffing verleend van de verplichtingen om werk te zoeken en mee te werken aan trajecten, met een mededeling over de maximale verblijfsduur in het buitenland. In 2014 is deze verblijfsduur verlaagd van dertien naar vier weken per kalenderjaar.

Appellant maakte bezwaar tegen deze mededeling, maar het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de mededeling geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep betoogde appellant dat de mededeling wel rechtsgevolg heeft en dat hij door de vermindering van de verblijfsduur in het buitenland in een slechtere positie is gekomen. De Raad overwoog dat deze gronden reeds gemotiveerd zijn behandeld door de rechtbank en dat appellant geen nieuwe argumenten aanvoert.

De Raad benadrukte dat rechtsgevolgen zoals beëindiging of verlaging van bijstand pas kunnen intreden na een nadere afweging door het bestuursorgaan, wanneer vaststaat dat de betrokkene daadwerkelijk is vertrokken en de maximale verblijfsduur is overschreden.

Daarom wordt het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

14/6704 WWB
Datum uitspraak: 12 januari 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
4 december 2014, 14/3218 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. Arabaci, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2015. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Verhoeven.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt laatstelijk sinds 9 april 2009 en ten tijde hier van belang bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.
1.2.
Bij besluit van 11 november 2010 heeft het college appellant voor de periode van
11 november 2010 tot en met 11 november 2013 ontheven van de ingevolge artikel 9 van Pro de WWB op hem rustende verplichtingen om werk te zoeken en te accepteren, en mee te werken aan een aangeboden traject. Hierbij heeft het college appellant meegedeeld dat hij in die periode met behoud van uitkering dertien weken per kalenderjaar buiten Nederland mag verblijven. Bij besluit van 24 februari 2014 heeft het college appellant tot pensioengerechtigde leeftijd ontheven van deze verplichtingen. Hierbij heeft het college appellant meegedeeld dat hij in de periode dat hij deze verplichtingen niet heeft met behoud van uitkering vier weken per kalenderjaar buiten Nederland mag verblijven (mededeling).
1.3.
Bij besluit van 8 mei 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 24 februari 2014 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat het bezwaar zich richt tegen de mededeling die niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. De brief van
24 februari 2014 is een besluit, omdat appellant daarmee ontheffing is verleend van de verplichting om werk te zoeken en om aan een aangeboden traject mee te werken, zodat om die reden een rechtsmiddelenclausule moest worden vermeld. Voorts wordt het rechtsgevolg niet veroorzaakt door de mededeling, maar bevat de wet reeds het rechtsgevolg. Om die reden is de mededeling geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb en dus niet appellabel. Dat de vermelde vakantieduur een verslechtering betekent ten opzichte van de maximumvakantieduur in de periode van 11 november 2010 tot 11 november 2013, die overigens ook rechtstreeks voortvloeide uit de wet, doet aan het vorenstaande niet af. Het college heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant voert aan dat de mededeling wel op rechtsgevolg is gericht, omdat in het besluit van
24 februari 2014 een bezwaarclausule is opgenomen. Voorts voert appellant aan dat hij door de mededeling, waarbij de maximaal geldende verblijfsduur in het buitenland van dertien weken is teruggebracht tot een periode van vier weken, in een slechtere positie is komen te verkeren.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van deze gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. Daaraan voegt de Raad nog toe dat de rechtsgevolgen die zich door het verblijf in het buitenland kunnen voordoen, zoals een beëindiging, intrekking of verlaging van de bijstand, pas kunnen intreden nadat door het bestuursorgaan een nadere afweging heeft plaatsgevonden. Dit gebeurt eerst indien duidelijk is dat de betrokkene is vertrokken, hoe lang hij feitelijk in het buitenland heeft verbleven en of daarbij de maximaal geldende vakantieduur is overschreden of verplichtingen zijn geschonden.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2016.
(getekend) G.M.G. Hink
(getekend) B. Fotchind

HD