ECLI:NL:CRVB:2016:574

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 februari 2016
Publicatiedatum
22 februari 2016
Zaaknummer
14/5940 AW e.v.
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 49d ARARArt. 49g ARARArt. 49i ARARArt. 96 ARAR
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging handhaving rechtsgevolgen reorganisatieontslag na herplaatsingstermijn

Appellanten waren herplaatsingskandidaten na sluiting van hun locatie en kregen een verlengde herplaatsingstermijn. Tijdens deze periode bood de minister geen passende functies aan, waarna reorganisatieontslag werd verleend. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond maar handhaafde de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten, omdat de minister voldoende inspanningen had verricht en passende functies buiten zijn gezagsbereik vielen.

In hoger beroep richtten appellanten zich tegen het in stand laten van deze rechtsgevolgen, stellende dat de minister hen opleidingen had moeten aanbieden. De Raad oordeelde dat appellanten geen functies hadden genoemd waarvoor een opleiding noodzakelijk was en dat de minister wel een opleiding voor bijzonder opsporingsambtenaar had aangeboden.

Verder concludeerde de Raad dat functies die als passend konden worden aangemerkt buiten het gezagsbereik van de minister vielen, waardoor herplaatsing niet mogelijk was. De Raad bevestigde dat er geen reële mogelijkheden tot herplaatsing waren en dat de rechtbank de rechtsgevolgen terecht in stand had gelaten. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten blijven in stand.

Uitspraak

14/5940 AW, 14/5941 AW
Datum uitspraak: 18 februari 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
10 oktober 2014, 14/521 en 14/522 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant 1] en [Appellant 2] te [woonoplaats] (appellanten)
de minister van Financiën (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. drs. C.M.J.E.P. Meerts hoger beroep ingesteld.
De minister heeft verweerschriften ingediend.
Namens appellanten zijn nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2016. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. drs. Meerts en mr. M.F.J. Gelissen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Fokkens en drs. ing. T. Huisman.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellanten waren werkzaam bij de [naam werkgever], regio-eenheid [regio].
1.2.
Wegens het sluiten van de locatie [regio] zijn appellanten op grond van artikel 49d van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) met ingang van 13 december 2010 aangewezen als herplaatsingskandidaat. De herplaatsingstermijn van achttien maanden is voor beiden met twaalf maanden verlengd tot 13 juni 2013.
1.3.
Gedurende de herplaatsingstermijn heeft de minister appellanten geen passende functie aangeboden.
1.4.
Omdat het niet mogelijk is gebleken appellanten te herplaatsen in een passende functie, heeft de minister aan hen op grond van artikel 96 van Pro het ARAR bij onderscheiden besluiten van 21 februari 2013 reorganisatieontslag verleend met ingang van 13 juni 2013. Na bezwaar van appellanten heeft de minister deze ontslagbesluiten bij onderscheiden besluiten van 6 januari 2014 (de bestreden besluiten) gehandhaafd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven. Voor deze laatste beslissing heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat het herplaatsingstraject is beëindigd en de passende functies niet meer beschikbaar zijn, dat de minister zich voldoende heeft ingespannen om appellanten herplaatst te krijgen en dat zij weinig initiatief hebben ontplooid om weer aan het werk te komen. Handhaving van het eervol ontslag is daarom gerechtvaardigd.
3.1.
Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand zijn gelaten.
3.2.
De minister heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Uit het dossier blijkt dat de minister zich voldoende heeft ingespannen om appellanten herplaatst te krijgen. Voor zover appellanten betogen dat de minister hun opleidingen had behoren aan te bieden, overweegt de Raad dat appellanten geen functies hebben benoemd waarvoor de minister heeft nagelaten hun een opleiding aan te bieden om deze functies alsnog passend te maken. De minister heeft appellanten wel een opleiding voor bijzonder opsporingsambtenaar aangeboden.
4.2.
Of appellanten zelf al het mogelijke hebben gedaan om een passende functie te vinden
- waarover partijen twisten - is niet van direct belang bij de beantwoording van de vraag of de rechtsgevolgen in dit geval terecht in stand zijn gelaten. De Raad gaat op deze kwestie dan ook niet in.
4.3.
De minister heeft ter zitting toegelicht dat er tijdens de herplaatsingsperiode weliswaar functies waren die als passend konden worden aangemerkt, maar dat het daarbij ging om functies buiten zijn gezagsbereik. De minister kon appellanten daarom wel voordragen voor deze functies, maar hij kon ze hun niet aanbieden als bedoeld in artikel 49g van het ARAR en appellanten evenmin herplaatsen in die functies als bedoeld in artikel 49i van het ARAR. Daarbij heeft hij verklaard dat schaal 5-functies binnen zijn organisatie op termijn verdwijnen en dat er ook daarom in de toekomst geen zicht meer is op herplaatsing van appellanten.
4.4.
De Raad constateert dat appellanten geen concrete, binnen het gezagsbereik van de minister vallende functies hebben benoemd die deze hun had moeten aanbieden. Het dossier biedt ook geen aanknopingspunt voor de conclusie dat die functies er waren. Opgemerkt wordt daarbij dat de door appellanten genoemde functies in Soesterberg en in Ulicoten zijn toebedeeld aan, respectievelijk, iemand met een hogere anciënniteit dan appellanten en iemand die op kortere reisafstand tot de locatie woonde en daarom, conform de voorschriften, in geval van een noodsituatie sneller ter plaatse kon zijn. Tegen deze achtergrond bezien, ziet de Raad geen reden om te twijfelen aan hetgeen de minister ter zitting heeft toegelicht en verklaard. Er is dus niet gebleken dat er reële mogelijkheden zijn of zijn geweest tot herplaatsing van appellanten in een passende functie.
4.5.
Nu aannemelijk was dat er geen reële mogelijkheid was tot herplaatsing van appellanten in een passende functie, heeft de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand gelaten. Het hoger beroep slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
4.6.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en B.J. van de Griend en
M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2016.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD