Appellant ontvangt sinds 1999 een WAO-uitkering met een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Na melding van toegenomen klachten in 2013 is hij onderzocht door een verzekeringsarts, die op basis van medische informatie en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) de beperkingen actualiseerde. De arbeidsdeskundige berekende een arbeidsongeschiktheid van 18,7%, leidend tot handhaving van de klasse 15 tot 25%.
Appellant voerde in bezwaar en beroep aan dat zijn psychische klachten, waaronder PTSS, concentratieproblemen en medicatiebijwerkingen, onvoldoende waren meegewogen. Hij stelde dat deze klachten hem belemmeren in werk en dagelijks functioneren en verzocht om een contra-expertise. Het UWV handhaafde het besluit, gesteund door rapporten van verzekeringsarts en arbeidsdeskundige.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en onderschreef de medische grondslag van het besluit. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende onderbouwing leverde voor een hogere mate van beperkingen en dat de FML van juni 2013 adequaat rekening hield met zijn klachten. Het verzoek tot een medisch deskundigenonderzoek werd afgewezen. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten aan appellant.