ECLI:NL:CRVB:2016:524
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing uitkering op grond van Wubo wegens ontbreken blijvende invaliditeit
Appellante, geboren in 1937 in Nederlands-Indië, verzocht in 2011 om een uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Bij besluit van 18 december 2013 werd erkend dat zij getroffen was door oorlogsgeweld, maar haar aanvraag voor een periodieke uitkering werd afgewezen omdat haar psychische en lichamelijke klachten niet leidden tot blijvende invaliditeit volgens de Wubo.
In beroep benadrukte appellante haar aanhoudende angstaanvallen en nachtmerries over de Japanse bezetting en Bersiap-periode, die haar functioneren belemmeren. De Raad beoordeelde dat de door verweerder ingeschakelde geneeskundige adviseurs, na medisch onderzoek, concludeerden dat de klachten niet leidden tot beperkingen in ten minste twee van de vier AMA-rubrieken die blijvende invaliditeit definiëren.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit deugdelijk was voorbereid en gemotiveerd. Objectieve medische gegevens ontbraken om de beperkingen te onderschatten of een verband met oorlogsgeweld aan te tonen. Algemene oorlogsomstandigheden zoals ondervoeding kunnen niet leiden tot een Wubo-uitkering. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met de mogelijkheid voor appellante een nieuwe aanvraag te doen bij wijziging van haar klachten.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo.