Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:523

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 februari 2016
Publicatiedatum
18 februari 2016
Zaaknummer
14/5264 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36a ARARArt. 40a ARARArt. 125 AmbtenarenwetArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging stopzetting bezoldiging wegens weigering medewerking expertiseonderzoek

Appellant, werkzaam bij de Belastingdienst, viel uit wegens psychische klachten en startte een re-integratietraject. De bedrijfsarts adviseerde een expertiseonderzoek om de mate van beperkingen en prognose vast te stellen. Appellant weigerde zonder geldige reden mee te werken aan dit onderzoek, dat door een arbeidspsycholoog van DFG zou worden uitgevoerd.

De staatssecretaris zette daarom de bezoldiging stop voor de 18 uur per week waarvoor appellant ziek was, op grond van artikel 40a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Na bezwaar werd dit besluit gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en appellant ging in hoger beroep.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de staatssecretaris terecht het advies van de bedrijfsarts volgde en de opdracht tot medewerking aan het onderzoek mocht geven, ook al had appellant een voorkeur voor een andere deskundige. Er was geen aantasting van de lichamelijke integriteit, omdat de wettelijke bepalingen een dergelijke beperking toestaan. Het hoger beroep werd verworpen en de stopzetting van de bezoldiging bevestigd.

Uitkomst: De stopzetting van de bezoldiging wegens weigering mee te werken aan het expertiseonderzoek wordt bevestigd.

Uitspraak

14/5264 AW
Datum uitspraak: 18 februari 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
27 augustus 2014, 13/3534 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.L. van der Geest, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant heeft mr. J. van Zanten, advocaat, nadere gronden ingediend. De staatssecretaris heeft het verweerschrift aangevuld. Mr. E.K. Christiaansen, advocaat, heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Christiaansen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Scheffer en T.J.B. Kooymans RA.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is werkzaam als [functie] bij de Belastingdienst [regio] .
1.2.
Op 5 april 2011 is appellant wegens psychische klachten uitgevallen. Met ingang van
6 maart 2012 is hij gestart met zijn re-integratie. De bedrijfsarts heeft op 12 september 2012 geadviseerd expertise of gericht onderzoek in te zetten door een gespecialiseerde instelling om meer duidelijkheid te krijgen over de mate en ernst van de beperkingen en eventueel de prognose met betrekking tot het herstel.
1.3.
Bij persoonlijk overhandigde brief van 11 december 2012 is aan appellant opdracht gegeven mee te werken aan een expertiseonderzoek op 12 december 2012, te verrichten door een arbeidspsycholoog van DFG. Appellant heeft aan deze opdracht geen gehoor gegeven.
1.4.
Bij besluit van 14 december 2012 heeft de staatssecretaris met ingang van 12 december 2012 op grond van artikel 40a, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) de bezoldiging van appellant stopgezet voor de 18 uur per week waarvoor hij ziek is. Na bezwaar heeft de staatssecretaris het besluit van
14 december 2012 bij besluit van 27 mei 2013 (bestreden besluit) gehandhaafd. In het bestreden besluit is de stopzetting van de bezoldiging gebaseerd op artikel 40a, eerste lid, onder f, van het ARAR. Naar het oordeel van de staatssecretaris heeft appellant zonder deugdelijke grond geen gevolg gegeven aan zijn verplichting mee te werken aan het expertiseonderzoek.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
In artikel 36a, eerste lid, aanhef en onder d, van het ARAR is bepaald dat de ambtenaar kan worden verplicht om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan ter beantwoording van de vraag of de ambtenaar tijdens het tijdvak waarin hij wegens ziekte ongeschikt is om zijn arbeid te verrichten, in het belang van zijn genezing arbeid mag verrichten en om vast te stellen welke arbeid wenselijk wordt geacht.
4.1.2.
Artikel 40a, eerste lid, van het ARAR luidt, voor zover van belang, als volgt:
‘De aanspraken van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar op grond van dit hoofdstuk vervallen indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar:
(…)
f. zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek van de deskundige persoon of de arbodienst om te verschijnen;
g. er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de deskundige persoon of de arbodienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;
(…)
t. zijn medewerking weigert bij de doelmatige uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk.’
4.2.
Appellant heeft erop gewezen dat de staatssecretaris in het besluit van 14 december 2012 en in het bestreden besluit verschillende grondslagen heeft gehanteerd voor de inhouding van de bezoldiging. Hij acht die grondslagen hier niet ter zake doende. De Raad zal deze beroepsgrond niet uitputtend bespreken, nu kan worden geconcludeerd dat artikel 40a, eerste lid, aanhef en onder t, van het ARAR hoe dan ook van toepassing is. Voor zover sprake is van een gebrek, wordt dit met gebruikmaking van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht gepasseerd.
4.3.1.
Appellant heeft voorts, kort samengevat, betoogd dat hij niet kon worden verplicht mee te werken aan het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, omdat zijn behandelend artsen de benodigde informatie konden verstrekken. Bovendien waren deze artsen van mening dat het onderzoek prematuur zou zijn. De staatssecretaris had moeten bijdragen aan een alternatieve oplossing. Appellant heeft voorafgaand aan de opdracht voorgesteld om het onderzoek te laten uitvoeren door een deskundige in wie hij vertrouwen had.
4.3.2.
Dit betoog slaagt niet. Anders dan appellant kennelijk veronderstelt, is de behandelende sector niet de eerst aangewezen partij om te adviseren over arbeidsgezondheidskundige kwesties. Nu de bedrijfsarts gemotiveerd heeft geadviseerd een expertiseonderzoek in te zetten, mocht de staatssecretaris dat advies volgen en appellant opdragen hieraan mee te werken. Daarbij mocht hij bepalen dat dit zou worden uitgevoerd door een deskundige van DFG. Dat het onderzoek mogelijk ook door een deskundige zou kunnen worden uitgevoerd in wie appellant meer vertrouwen had, doet hier niet aan af.
4.4.
Volgens appellant moet de opdracht van de staatssecretaris worden opgevat als een aantasting van de lichamelijke integriteit. Appellant wordt hierin niet gevolgd. Van een dergelijke inbreuk is geen sprake nu de staatssecretaris gebruik mocht maken van een bij de wet - hier artikel 125 van Pro de Ambtenarenwet in samenhang met artikel 36a van het ARAR - gestelde beperking van de onaantastbaarheid van het lichaam.
4.5.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en B.J. van de Griend en
M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2016.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD