ECLI:NL:CRVB:2016:520
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen toekenning invaliditeitsuitkering op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling
Appellante, geboren in 1938 in Nederlands-Indië, diende in augustus 2011 een aanvraag in voor een invaliditeitsuitkering op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Bij besluit van 8 oktober 2012 werd zij erkend als oorlogsslachtoffer met oorlogsletsel in de vorm van psychische klachten en een arbeidsongeschiktheid van 20% voor het beroep van huisvrouw. Dit leidde tot een uitkeringspercentage van 10 en een aanspraak op vergoeding van vrije geneeskundige behandeling.
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit, met name tegen de niet-acceptatie van haar oogklachten als oorzakelijk verband, de verdeling van de causaliteit op 50/50, de vastgestelde beperkingen en het beroep van huisvrouw als passend werk. Na een aanvullend medisch advies werd de arbeidsongeschiktheid bevestigd, waarbij de oogklachten niet eenduidig konden worden toegeschreven aan oorlogsletsel. De Raad oordeelde dat het bestreden besluit deugdelijk was gemotiveerd en dat de causaliteitsverdeling niet onjuist was.
Verder werd het beroep van confectienaaister door appellante niet gevolgd, omdat zij dit slechts kort heeft uitgeoefend en het beroep van huisvrouw passend werd geacht. Daarnaast werd een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure, die meer dan drie jaar duurde. Verweerder en de Staat werden ieder veroordeeld tot betaling van € 500,- aan appellante. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en appellante ontvangt een schadevergoeding van € 1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.