ECLI:NL:CRVB:2016:512
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering voorschot WW-uitkering wegens volledige zelfstandige werkzaamheden
Appellant ontving vanaf 1 oktober 2010 een WW-uitkering en kreeg toestemming van het UWV om tussen 3 januari en 3 juli 2011 werkzaamheden als zelfstandige te verrichten, waarbij 70% van de inkomsten in mindering werd gebracht op de uitkering. Op 29 juli 2011 beëindigde het UWV de uitkering omdat appellant volledig als zelfstandige werkzaam was. Later stelde het UWV vast dat appellant een te hoog voorschot had ontvangen en vorderde een bedrag van €17.189,60 terug.
Appellant voerde aan dat zijn werkcoach hem uitdrukkelijk had verzekerd dat hij maximaal 70% van het netto voorschot hoefde terug te betalen en dat het besluit van 23 december 2010 voor tweeërlei uitleg vatbaar was. De Raad oordeelde dat appellant geen ondubbelzinnige toezeggingen kon aantonen en dat de berekening van het UWV correct was volgens het Inkomstenbesluit WW.
De Raad verwierp het beroep van appellant en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het terugvorderingsbesluit van het UWV wordt bevestigd.