ECLI:NL:CRVB:2016:5081
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling bevestigd
Appellante, werkzaam als activiteitenbegeleidster en woonbegeleidster, viel uit met psychische klachten en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering. Na onderzoek in december 2013 stelde het UWV haar arbeidsongeschiktheid vast op 31,07%, onder de 35% grens, en kondigde beëindiging van de uitkering aan. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV en later bevestigd door de rechtbank.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld, met name op het gebied van fysieke en psychische klachten. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de verzekeringsartsen zorgvuldig onderzoek hadden verricht, waarbij alle relevante medische informatie en beperkingen adequaat waren meegewogen. De medische stukken die appellante in hoger beroep overlegde, betroffen data na de datum in geding en konden het eerdere oordeel niet ondermijnen.
De Raad concludeerde dat de beperkingen zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat waren en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. De Raad bevestigde daarom het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering wordt bevestigd.