ECLI:NL:CRVB:2016:5076
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van duurzaamheid arbeidsongeschiktheid en toeslag WIA-uitkering
Appellant, een voormalig magazijnmedewerker, meldde zich in 2007 ziek met rug- en knieklachten. Na diverse medische en arbeidskundige onderzoeken kende het UWV hem een WGA-uitkering toe, later gevolgd door een toeslag op grond van de Toeslagenwet. In 2014 meldde appellant verslechtering van zijn klachten, waarna het UWV zijn uitkering aanpaste naar een hogere WGA-loonaanvullingsuitkering en de toeslag verlaagde.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en stelde dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en recht had op een IVA-uitkering. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde echter dat de situatie niet duurzaam was, omdat medisch specialistisch onderzoek en behandeling nog gaande waren en er nog kans op verbetering bestond. De rechtbank Limburg oordeelde dat het UWV terecht handelde en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere beoordeling. De Raad stelde dat de verzekeringsarts een concrete en deugdelijke afweging had gemaakt van de herstelkansen en dat er geen medische stukken waren die het standpunt van het UWV konden weerleggen. De Raad concludeerde dat appellant volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt was en dat de verlaging van de toeslag correct was vastgesteld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is en wijst het hoger beroep af.