ECLI:NL:CRVB:2016:5068
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op gelijkstelling als vervolgde op grond van Wuv wegens onvoldoende verbondenheid met Nederland
Appellante, geboren in 1929 en woonachtig in de Verenigde Staten, diende in mei 2014 een aanvraag in op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag op 8 januari 2015 af omdat appellante niet voldeed aan de vereisten van nationaliteit en woonplaats. Hoewel zij vervolging heeft ondergaan, ontbrak het aan de Nederlandse nationaliteit en een hechte en duurzame verbondenheid met Nederland.
Appellante maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard bij het bestreden besluit van 8 oktober 2015. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, eerste lid, Wuv, en dat ook de uitzondering van gelijkstelling op grond van het tweede lid niet van toepassing is.
Uit de stukken blijkt dat appellante minder dan tien jaar in Nederland gevestigd was, namelijk in de periodes 1938-1946 en 1947-1948. Het sociaal rapport en andere stukken bevestigen geen langere of hechtere verbondenheid. Het beleid van verweerder vereist bij verblijf korter dan tien jaar zeer bijzondere omstandigheden voor gelijkstelling, die in deze zaak niet zijn aangetoond.
De Raad bevestigt dat de specifieke uitzonderingen op de regel, zoals een sterke band vóór vestiging of vervolging vanuit Nederland gevolgd door minderjarigheid en vertrek, niet van toepassing zijn. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Beroep ongegrond verklaard wegens onvoldoende verbondenheid met Nederland voor gelijkstelling als vervolgde.