ECLI:NL:CRVB:2016:5057
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- O.L.H.W.I. Korte
- A. Stehouwer
- A.M. Overbeeke
- Rechtspraak.nl
Beoordeling woonkostentoeslag in de vorm van een lening bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Appellante woont in een huurwoning waarvan de huurprijs boven de maximale huurgrens voor huurtoeslag is gestegen. Na ontvangst van een erfenis van €108.000,- heeft zij in 2012 bijzondere bijstand aangevraagd in de vorm van woonkostentoeslag. Het college heeft deze toeslag toegekend als geldlening met een verhuisverplichting vanwege te snelle intering op haar vermogen, wat duidt op een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de vorm van de lening en de draagkrachtberekening, maar het college handhaafde haar besluiten. De GGD-arts concludeerde dat appellante in staat was zelfstandig te verhuizen. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde.
De Raad oordeelt dat het college bevoegd was de toeslag als lening te verstrekken op grond van artikel 48 WWB Pro, omdat appellante te snel op haar vermogen heeft ingeteerd volgens de interingsnorm. De medische omstandigheden van appellante rechtvaardigen geen afwijking van deze bevoegdheid. Ook is het college verplicht de draagkracht in mindering te brengen, wat correct is gebeurd voor de tweede periode. De verhuisverplichting speelt geen rol meer in het geschil.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraken en verklaart het beroep tegen het nader besluit ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college terecht woonkostentoeslag als lening verstrekt en de draagkracht correct in mindering heeft gebracht.