ECLI:NL:CRVB:2016:4984

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 december 2016
Publicatiedatum
23 december 2016
Zaaknummer
15/6079 WMO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16d BbzArt. 16e BbzArt. 11a BbzArt. 16g BbzArt. 4.1 Bmo
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening eigen bijdrage zorg zonder verblijf met terugwerkende kracht

Appellante ontving in 2013 zorg zonder verblijf op grond van de AWBZ en een voorziening op grond van de Wmo. Het CAK stelde aanvankelijk de maximale periodebijdrage voor 2013 vast op €126,01 per vier weken. Na ontvangst van gewijzigde inkomensgegevens van de Belastingdienst in september 2014, waarbij de grondslag sparen en beleggen aanzienlijk hoger bleek, herzag het CAK de bijdrage naar €192,28 per vier weken met terugwerkende kracht tot 1 januari 2013.

Appellante maakte bezwaar tegen deze herziening en voerde aan dat de herziening pas vanaf het moment van bekendwording van de gewijzigde gegevens had moeten ingaan, niet met terugwerkende kracht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.

De Raad oordeelde dat het CAK de herziening binnen de wettelijke termijn van 24 maanden heeft uitgevoerd, zoals voorgeschreven in artikel 11a van het Bbz en artikel 4.4a van het Bmo. De Raad vond dat de terugwerkende kracht tot het begin van 2013 rechtmatig was, omdat de gewijzigde gegevens pas later bekend werden en de herziening tijdig is doorgevoerd.

De Raad concludeerde dat het beroep van appellante niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de herziening van de eigen bijdrage met terugwerkende kracht tot 1 januari 2013 rechtmatig is.

Uitspraak

15/6079 WMO
Datum uitspraak: 21 december 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
27 juli 2015, 15/1483 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)

CAK

PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
CAK heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2016. Appellante is verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Kozanhan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving in 2013 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) zorg zonder verblijf, bestaande uit persoonlijke verzorging.
1.2.
Daarnaast ontving appellante in 2013 een voorziening op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
1.3.
Bij besluiten van 18 juli 2013 heeft CAK met toepassing van artikel 16d van het Bijdragebesluit zorg (Bbz) en artikel 4.1 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning de maximale periodebijdrage zorg zonder verblijf 2013 en Wmo 2013 voor appellante vanaf periode 1 vastgesteld op € 126,01 per periode van vier weken.
1.4.
Bij besluiten van 8 oktober 2014 heeft CAK de maximale periodebijdrage zorg zonder verblijf 2013 en Wmo 2013 vanaf periode 1 gewijzigd vastgesteld op € 192,28 per periode van vier weken. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 juli 2013 betreffende de eigen bijdrage voor zorg zonder verblijf.
1.5.
Bij beslissing op bezwaar van 12 januari 2015 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar opgevat als te zijn gericht tegen beide besluiten van 8 oktober 2014 en dat bezwaar ongegrond verklaard. CAK heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de Belastingdienst aanvankelijk aan CAK heeft doorgegeven dat de grondslag sparen en beleggen van appellante in het peiljaar 2011 € 0,- bedroeg en dat om die reden in de besluiten van 18 juli 2013 het bijdrageplichtig inkomen niet is vermeerderd met 8% van de grondslag sparen en beleggen. Op 12 september 2014 heeft CAK gewijzigde inkomensgegevens van de Belastingdienst ontvangen. Volgens deze gewijzigde gegevens bedraagt de grondslag sparen en beleggen van appellante in het peiljaar 2011 € 112.016,-. Omdat appellante niet heeft gesteld dat dit bedrag niet juist is, gaat CAK van de juistheid van dit bedrag uit. Op grond van artikel 16e van het Bbz en artikel 4.1 van het Bmo heeft CAK 8% van de grondslag sparen en beleggen meegenomen bij de berekening van het bijdrageplichtig inkomen. Op basis van deze gewijzigde gegevens heeft CAK de maximale periodebijdrage voor 2013 gewijzigd vastgesteld op € 192,28 per periode. CAK is verder van oordeel dat de gewijzigde vaststelling heeft plaatsgevonden binnen de sinds 1 januari 2013 geldende herzieningstermijn van
24 maanden. CAK heeft hiervoor verwezen naar de artikelen 11a en 16g van het Bbz en artikel 4.4a, eerste lid, van het Bmo.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard
.
3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat gelet op het feit dat de Belastingdienst pas op 12 september 2014 aan CAK heeft bericht dat haar inkomen hoger was dan de vorige keer, het redelijker en eerlijker zou zijn geweest indien CAK de eigen bijdrage zou hebben herzien vanaf het moment dat bekend werd dat haar inkomen hoger was geworden en niet al met ingang van 1 januari 2013.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante een eigen bijdrage is verschuldigd voor de kosten van de aan haar verleende zorg ingevolge de AWBZ en de Wmo.
4.2.
Artikel 16d, eerste lid, van het Bbz bepaalde ten tijde in geding voor zover hier van belang dat de bijdrage voor de zorg, bedoeld in artikel 4, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ € 14,20 per uur bedraagt. Indien er sprake is van zorgverlening gedurende een deel van een uur, wordt de bijdrage naar evenredigheid berekend. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder b, bedraagt de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, voor de ongehuwde verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt niet meer dan € 19,40 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn bijdrageplichtig inkomen meer bedraagt dan € 22.331,- het bedrag van € 19,40 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen dat inkomen en € 22.331,-.
4.3.
Artikel 4.1, eerste lid, van het Bmo bevatte ten tijde in geding en voor zover hier van belang een zelfde bepaling als artikel 16d, tweede lid, van het Bbz voor de maximale periodebijdrage in de kosten van maatschappelijke ondersteuning.
4.4.
Artikel 11a, eerste lid, van het Bbz en artikel 4.4a, eerste lid, van het Bmo bepalen sinds 1 januari 2013 dat de eigen bijdrage wordt herzien uiterlijk 24 maanden na het tijdstip waarop het CAK in kennis is gesteld van de omstandigheid die aanleiding geeft tot de wijziging.
4.5.
Ingevolge artikel 16g van het Bbz is artikel 11a van het Bbz van overeenkomstige toepassing voor – onder meer – de maximale periodebijdrage zoals geregeld in artikel 16d, tweede lid, van het Bbz.
4.6.
Tussen partijen is uitsluitend in geschil de vraag of CAK terecht de maximale periodebijdrage voor zorg zonder verblijf als bedoeld in artikel 16d, tweede lid, van het Bbz voor 2013 en de maximale periodebijdrage voor de Wmo-voorziening als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van het Bmo voor 2013 met terugwerkende kracht tot periode 1 van 2013 heeft vastgesteld op € 192,28 per vier weken.
4.7.
Vaststaat dat CAK appellante in de in 1.3 genoemde besluiten van 18 juli 2013 heeft meegedeeld dat het mogelijk is dat CAK gewijzigde gegevens ontvangt. Indien de maximale periodebijdrage hierdoor wijzigt, ontvangt appellante een nieuwe beschikking, aldus CAK.
4.8.
De gewijzigde vaststelling van de maximale periodebijdrage zoals neergelegd in de besluiten van 8 oktober 2014 en gehandhaafd bij het bestreden besluit, vindt zijn grondslag in het in september 2014 bij CAK bekend worden van gewijzigde inkomens- en vermogensgegevens van de Belastingdienst over het peiljaar 2011. Met de besluiten van 8 oktober 2014, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft CAK naar aanleiding van deze gewijzigde gegevens de eerder vastgestelde eigen bijdragen herzien binnen een periode van 24 maanden na het tijdstip waarop CAK in kennis is gesteld van de juiste gegevens. Daarmee heeft CAK op juiste wijze toepassing gegeven aan artikel 11a, eerste lid, van het Bbz en artikel 4.4a, eerste lid, van het Bmo.
4.9.
Wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.8 betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2016.
(getekend) M.F. Wagner
(getekend) B. Dogan

NK