ECLI:NL:CRVB:2016:4972
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en toekenning WIA-uitkering na herziening maatmanloon
Appellant was werkzaam als woningstoffeerder/magazijnmedewerker en meldde zich in november 2011 ziek wegens gewrichtsklachten. Het UWV stelde aanvankelijk vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen WIA-uitkering werd toegekend. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze beslissing.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen, met name psychische klachten en hand- en vingergebruik, niet juist waren beoordeeld en dat hij niet in staat was de voorbeeldfuncties te vervullen. Het UWV bracht een aangepast rapport uit waarin rekening werd gehouden met een arbeidsduurbeperking van één dagdeel per week, wat leidde tot een nieuwe berekening van 34,5% arbeidsongeschiktheid.
Na heropening van het onderzoek en een nieuwe berekening van het maatmanloon, inclusief vakantietoeslag en verkoopbonus, stelde het UWV vast dat appellant 35,1% arbeidsongeschikt was. Het bestreden besluit van 9 juni 2016 kende appellant daarom een loongerelateerde WIA-uitkering toe. De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende onderbouwd en overtuigend waren en dat de psychische klachten niet waren onderschat. Het beroep tegen het laatste besluit werd ongegrond verklaard, terwijl eerdere besluiten en uitspraken werden vernietigd.
De Centrale Raad van Beroep veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant en het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter E.E.V. Lenos op 2 december 2016.
Uitkomst: Appellant heeft recht op een loongerelateerde WIA-uitkering vanaf 15 november 2013 met een arbeidsongeschiktheid van 35,1%.