ECLI:NL:CRVB:2016:4951
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens niet tijdig doorgegeven inkomsten en oplegging boete
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB en werkten als oproepkracht bij twee werkgevers. Het college herzag de bijstand over de periode december 2012 tot en met juli 2014 omdat niet alle inkomsten tijdig waren doorgegeven. Hierdoor werd een bedrag van €9.894,32 teruggevorderd. Tevens werd een boete van €810 opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond. Appellanten stelden dat zij het college tijdig hadden geïnformeerd en loonstroken hadden overgelegd, ondersteund door telefonische contacten. De Raad oordeelde echter dat uit de stukken en rapportages niet blijkt dat de loongegevens tijdig en volledig zijn verstrekt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen concreet bewijs werd geleverd.
De Raad bevestigde dat appellanten de inlichtingenplicht hebben geschonden en dat de terugvordering terecht is. De boete werd als passend en evenredig beoordeeld, mede gelet op het ontbreken van opzet of grove schuld en de persoonlijke omstandigheden van appellanten. Het hoger beroep werd verworpen en de bestreden besluiten bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand en handhaaft de boete wegens schending van de inlichtingenplicht.