ECLI:NL:CRVB:2016:4817
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onduidelijke woonsituatie en schending inlichtingenplicht
Appellant diende een aanvraag in voor bijstand met als verblijfadres een kamer op een bepaald adres. Tijdens het onderzoek bleek dat appellant feitelijk op een ander adres verbleef, waar hij slechts tijdelijk verbleef en waar zijn persoonlijke bezittingen beperkt aanwezig waren. Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan zijn inlichtingenplicht en het recht op bijstand daardoor niet kon worden vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij wel degelijk op het andere adres verbleef en dat dit een tijdelijke situatie betrof. Hij wees op de aanwezigheid van persoonlijke spullen en een door hem gemaakte plattegrond van de woning. De Raad oordeelde echter dat de beperkte hoeveelheid kleding, het ontbreken van recente administratie en het niet kunnen vinden van basale keukenspullen tijdens het huisbezoek niet strookten met een feitelijk verblijf gedurende de gehele beoordelingsperiode.
De Raad benadrukte dat appellant op het aanvraagformulier een onjuist adres heeft opgegeven en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het onmogelijk was het juiste adres te vermelden. Gezien de schending van de inlichtingenplicht en de onduidelijkheid over de woonsituatie, was de afwijzing van de bijstandsaanvraag terecht. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van verblijf op het opgegeven adres en schending van de inlichtingenplicht.