Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg bijstand aan na het beëindigen van zijn WW-uitkering. Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan de inlichtingenplicht, met name inzake zijn verblijfsvergunning en bankafschriften, en zijn woonsituatie onduidelijk was.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij feitelijk op het opgegeven adres woonde. Appellant stelde in hoger beroep dat hij feitelijk op een ander adres woonde en later verhuisde naar een derde adres.
De Raad oordeelt dat appellant wel aannemelijk heeft gemaakt dat hij van 8 maart tot 1 mei 2014 feitelijk woonde op het tweede adres, mede op basis van bankafschriften en correspondentie. Voor de periode vanaf 1 mei 2014 tot 17 juli 2014 is onvoldoende bewijs geleverd dat hij feitelijk op het derde adres woonde.
Daarom wordt het beroep gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van bijstand voor de periode 8 maart tot 1 mei 2014 vernietigd en herroepen. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Bijstand wordt toegekend voor de periode 8 maart tot 1 mei 2014; afwijzing daarna blijft gehandhaafd.