ECLI:NL:CRVB:2016:4775
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens schending inlichtingenplicht en onduidelijke financiële situatie
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) nadat hij eerder bijstand ontving tot juli 2013. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees de aanvraag af wegens onvoldoende verstrekte informatie over zijn financiële situatie en levensonderhoud.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt hoe hij in de periode voorafgaand aan de aanvraag in zijn levensonderhoud had voorzien. Objectief bewijs voor de door appellant gestelde geldleningen ontbrak en de verklaring over zijn woonsituatie was onvoldoende concreet.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de stortingen lang voor de aanvraag waren gedaan en dat hij kon rondkomen van zorg- en huurtoeslag, omdat hij bij zijn broer woonde zonder vaste lasten. De Raad oordeelde dat de bewijslast bij de aanvrager ligt en dat appellant onvoldoende verifieerbare gegevens had verstrekt over zijn inkomsten en uitgaven.
De Raad bevestigde dat appellant tekort was geschoten in zijn inlichtingenplicht, waardoor niet kon worden vastgesteld of hij recht had op bijstand. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep afgewezen. Er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens onvoldoende inlichtingen over de financiële situatie.