ECLI:NL:CRVB:2016:4649

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 december 2016
Publicatiedatum
7 december 2016
Zaaknummer
15/8187 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag Wuv-uitkering wegens niet gelijkstellen met vervolgde

Appellante, geboren in 1939, diende in 2014 een aanvraag in voor een uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Deze aanvraag werd afgewezen omdat niet is vastgesteld dat zij vervolging heeft ondergaan of dat haar oorlogsomstandigheden vergelijkbaar zijn met die van vervolgden.

Eerder was een aanvraag op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo) eveneens afgewezen, waarbij werd geoordeeld dat er geen objectieve bevestiging was dat appellante ondergedoken was geweest tijdens de Bersiap-periode. Dit oordeel bleef ongewijzigd in de huidige procedure.

De Raad concludeert dat het feit dat appellante in Indonesië achterbleef terwijl veel familieleden naar Nederland vertrokken, geen reden is om haar gelijk te stellen met vervolgden. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de Wuv-uitkering wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

15/8187 WUV
Datum uitspraak: 8 december 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] , Indonesië (appellante)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 november 2015, kenmerk BZ01855296 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2016. Daar is namens appellante mr. Van Berkel verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante, geboren in 1939, heeft in september 2001 bij verweerder een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Die aanvraag is afgewezen, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 november 2002, op de grond dat niet is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellante getroffen is door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Het tegen het besluit van 29 november 2002 ingestelde beroep is door de Raad ongegrond verklaard bij uitspraak van 9 oktober 2003 (nummer 03/220 WUBO). In die uitspraak is overwogen dat van de door appellante gestelde vlucht met haar vader naar de bossen alwaar zij zich tot in de Bersiap-periode schuil hebben gehouden geen objectieve bevestiging is verkregen.
1.2.
In juni 2014 heeft appellante bij verweerder een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wuv. Die aanvraag is afgewezen bij besluit van 12 maart 2015 en na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Verweerder heeft overwogen dat appellante geen vervolging heeft ondergaan. In de oorlogsomstandigheden van appellante heeft verweerder geen aanleiding gezien haar met de vervolgde gelijk te stellen.
2. De Raad komt op grond van hetgeen in beroep is aangevoerd tot de volgende beoordeling.
2.1.
Bij de onder 1.1 genoemde uitspraak is al vastgesteld dat er geen bevestiging van kan worden verkregen dat appellante ondergedoken is geweest. In het kader van deze aanvraag zijn geen andersluidende gegevens ingediend of verkregen. De in beroep aangevoerde argumenten zijn al in bedoelde Wubo-procedure beoordeeld en behoeven in deze procedure geen verdere bespreking.
2.2.
Verder wordt het standpunt van verweerder onderschreven dat de oorlogsomstandigheden van appellante niet zodanig zijn geweest dat zij met de vervolgde kan worden gelijkgesteld. Dat appellante in Indonesië is achtergebleven terwijl een groot deel van haar familie naar Nederland is vertrokken vormt geen omstandigheid op grond waarvan zij met de vervolgde kan worden gelijkgesteld.
2.3.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2016.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) A. Mansourova

HD