ECLI:NL:CRVB:2016:4649
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Wuv-uitkering wegens niet gelijkstellen met vervolgde
Appellante, geboren in 1939, diende in 2014 een aanvraag in voor een uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Deze aanvraag werd afgewezen omdat niet is vastgesteld dat zij vervolging heeft ondergaan of dat haar oorlogsomstandigheden vergelijkbaar zijn met die van vervolgden.
Eerder was een aanvraag op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo) eveneens afgewezen, waarbij werd geoordeeld dat er geen objectieve bevestiging was dat appellante ondergedoken was geweest tijdens de Bersiap-periode. Dit oordeel bleef ongewijzigd in de huidige procedure.
De Raad concludeert dat het feit dat appellante in Indonesië achterbleef terwijl veel familieleden naar Nederland vertrokken, geen reden is om haar gelijk te stellen met vervolgden. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de Wuv-uitkering wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.