ECLI:NL:CRVB:2016:4647
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Wubo-uitkering en voorzieningen met vergoeding redelijke termijnschending
Appellante, geboren in 1940, diende in januari 2013 een aanvraag in op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Bij besluit van 22 augustus 2013 werd zij erkend als getroffene, maar haar aanvraag voor een periodieke uitkering, vervoer voor sociale contacten, gebitsrehabilitatie en een gehoorapparaat werd afgewezen. Appellante maakte bezwaar, dat bij het bestreden besluit van 17 oktober 2014 ongegrond werd verklaard.
In beroep stelde appellante dat haar verblijf op bepaalde locaties en haar ervaringen tijdens de Bersiapperiode ten onrechte niet als oorlogsgeweld werden erkend. Tevens betwistte zij de medische beoordeling van haar klachten en vond zij dat zij meer dan vier uren huishoudelijke hulp had moeten krijgen. De Raad volgde echter de verweerder in de conclusie dat de genoemde verblijven niet onder de Wubo vallen en dat de medische klachten niet oorzakelijk verband houden met het oorlogsgeweld. Ook achtte de Raad de toegekende huishoudelijke hulp toereikend.
Daarnaast verzocht appellante om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad constateerde een overschrijding van ruim vijf maanden in de bestuurlijke fase, wat een schadevergoeding van € 500,- rechtvaardigt. De proceskosten werden beperkt toegekend tot € 248,- wegens het late beroep. De Raad verklaarde het beroep ongegrond, veroordeelde verweerder tot betaling van de schadevergoeding, proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Beroep ongegrond verklaard, maar vergoeding van € 500,- toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.