ECLI:NL:CRVB:2016:4622

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 december 2016
Publicatiedatum
5 december 2016
Zaaknummer
15/4042 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging buiten behandeling laten WAO-aanvraag wegens ontbreken noodzakelijke gegevens

Appellant heeft op 3 mei 2013 een aanvraag ingediend voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO). Het UWV heeft appellant verzocht aanvullende documenten te overleggen, waaronder paspoortkopieën, arbeidsovereenkomsten en medische rapporten, met een uiterste inleverdatum van 13 juli 2014. Appellant heeft deze gegevens niet binnen de gestelde termijn aangeleverd.

Het UWV stelde daarop de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellant stelde bezwaar en voerde aan dat hij de gevraagde gegevens op 3 juli 2014 had verzonden, maar het UWV ontving deze niet. Na een tweede termijn en een ongegrond verklaard bezwaar bevestigde de rechtbank Amsterdam het besluit van het UWV.

In hoger beroep voerde appellant aan dat hij sinds 1992 ziek was en overhandigde medische verklaringen, maar deze waren onvoldoende om de aanvraag alsnog te beoordelen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht de aanvraag buiten behandeling had gelaten omdat noodzakelijke gegevens ontbraken en appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij redelijkerwijs niet in staat was de gegevens tijdig te verstrekken. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.

Uitkomst: De aanvraag van appellant wordt buiten behandeling gelaten wegens het niet tijdig aanleveren van noodzakelijke gegevens.

Uitspraak

15/4042 WAO
Datum uitspraak: 2 december 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 mei 2015, 14/7047 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (Marokko) (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2016. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij brief van 3 mei 2013 heeft betrokkene het Uwv verzocht hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen.
1.2.
Bij brief van 16 juni 2014 heeft het Uwv appellant verzocht om aanvullende informatie en gegevens te verschaffen, te weten kopieën van een geldig paspoort, verblijfsvergunning, arbeidsovereenkomsten, loonspecificaties, jaaropgaven, beslissingen van toegekende Ziektewet- Werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, medische rapporten van behandelingen en recepten van voorgeschreven medicijnen. Appellant is verzocht deze informatie uiterlijk 13 juli 2014 in te dienen.
1.3
Bij besluit van 24 juli 2014 heeft het Uwv de aanvraag van appellant onder verwijzing naar artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld, omdat het Uwv de gevraagde gegevens niet heeft ontvangen.
1.4.
In bezwaar tegen het besluit van 24 juli 2014 heeft appellant gesteld dat hij de gevraagde gegevens op 3 juli 2014 naar het Uwv heeft verzonden.
1.5.
In een brief van 20 augustus 2014 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat de
onder 1.4. genoemde brief van 3 juli 2014 niet is ontvangen. Appellant is in de gelegenheid gesteld om de gevraagde informatie vóór 18 september 2014 alsnog toe te zenden.
1.6.
Bij besluit, gedateerd op 5 september 2014 (bestreden besluit), heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 juli 2014 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het bestreden besluit in ieder geval niet eerder dan op 30 september 2014 aan appellant is verzonden. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant voldoende de gelegenheid heeft gehad om zijn aanvraag binnen de door het Uwv gestelde termijn aan te vullen. Het Uwv heeft de in de brieven van 16 juni 2014 en 20 augustus 2014 gevraagde gegevens niet ontvangen en kon daarom de aanvraag van betrokkene beoordelen.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij in Nederland heeft gewerkt en dat hij vanaf 1992 ziek is. Hij heeft een verklaring ingebracht van een Marokkaanse psychiater van 23 mei 2015 en een ongedateerde afsprakenkaart van I-Psy in Nederland.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de uitspraak van de rechtbank te bevestigen. Het Uwv heeft nader uiteengezet dat appellant op 24 oktober 2011 is geëmigreerd naar Marokko. Verder is uit Suwinet gebleken dat hij in de periode 1998 tot zijn vertrek uit Nederland arbeid heeft verricht gedurende de jaren 2000 tot 2006. Het Uwv heeft één dienstverband kunnen achterhalen bij een schoonmaakbedrijf van 10 september 2001 tot 28 november 2004. Verder is niets gebleken van ziekmeldingen of periodes van werkloosheidsuitkeringen of andere uitkeringen. Het Uwv heeft erop gewezen dat de ingebrachte verklaring van de Marokkaanse psychiater ook in beroep is overgelegd. Deze verklaring is onvoldoende om de aanvraag in behandeling te nemen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het Uwv niet over voldoende gegevens beschikte om tot behandeling en beoordeling van de aanvraag van appellant over te gaan en dat de door het Uwv bij appellant opgevraagde gegevens noodzakelijk zijn om zijn recht op WAO-uitkering te kunnen beoordelen. Vaststaat dat appellant de gevraagde gegevens niet binnen de gegeven hersteltermijn heeft overgelegd. Evenmin is gebleken dat het Uwv uit andere hoofde over gegevens kon beschikken die noodzakelijk waren om de aanvraag van appellant te beoordelen. Ook zijn er geen aanknopingspunten op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat appellant redelijkerwijs niet in staat is geweest om de gevraagde ontbrekende gegevens binnen de gestelde termijn te verstrekken.
4.2.
De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat het Uwv bevoegd was de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling te laten. In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken op 2 december 2016.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) L.H.J. van Haarlem

NK