De zaak betreft een hoger beroep van appellante tegen besluiten van het UWV inzake de berekening van haar beslagvrije voet en de verrekening van vakantiegeld in het kader van een WIA-uitkering. De Raad verwijst naar een eerdere tussenuitspraak waarin werd vastgesteld dat het besluit van 18 maart 2013 onvoldoende was gemotiveerd omdat het UWV onjuiste en onvolledige gegevens had gebruikt voor de berekening van de beslagvrije voet.
Het UWV heeft vervolgens een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarin een nieuwe berekening is gemaakt. Hieruit bleek dat appellante in de periode juni tot en met november 2012 een inkomen had boven de beslagvrije voet, maar in de periode december 2012 tot en met mei 2013 daaronder bleef. Het teveel ingehouden vakantiegeld over deze laatste periode is deels terugbetaald.
Appellante betwistte de hoogte van de aflossingscapaciteit en de verrekening van het vakantiegeld, maar de Raad oordeelt dat deze punten niet opnieuw aan de orde kunnen komen in de einduitspraak, omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn. Het UWV heeft het geconstateerde gebrek hersteld en is bereid een bedrag van €278,87 in mindering te brengen op de resterende vordering. De Raad bepaalt zelf dat de restvordering €143,05 bedraagt en verklaart het beroep tegen het gewijzigde besluit ongegrond.
Tot slot wordt het griffierecht van appellante vergoed en worden de proceskosten niet toegewezen.