ECLI:NL:CRVB:2016:4541
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen herzieningsbeslissing WWB wegens termijnoverschrijding
Appellante ontvangt sinds 1996 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een onderzoek door de sociale recherche, gebaseerd op meldingen van ongebruikelijke financiële transacties, werd vastgesteld dat appellante tussen 2008 en 2011 sieraden heeft beleend zonder dit te melden. Dit leidde tot een herzieningsbeslissing van het dagelijks bestuur van Werk en Inkomen Lekstroom, waarin werd vastgesteld dat appellante ten onrechte bijstand heeft ontvangen over die periode.
Appellante maakte bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit, maar verklaarde niet bekend te zijn met de herzieningsbeslissing. Het dagelijks bestuur verklaarde het bezwaar tegen de herzieningsbeslissing niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat de herzieningsbeslissing geen besluit in de zin van de Awb zou zijn en dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege onduidelijkheid over de aard van de herziening. De Raad oordeelde dat de herzieningsbeslissing wel degelijk een besluit is, gericht op het tenietdoen van het recht op bijstand over de betreffende periode. De termijnoverschrijding was niet verschoonbaar, mede omdat appellante de mogelijkheid had om navraag te doen of juridische bijstand in te schakelen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de herzieningsbeslissing wegens termijnoverschrijding zonder verschoonbare reden.