Uitspraak
1 oktober 2014, 13/5110 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
18 augustus 2015, waarin is vastgesteld dat sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis, en een rapport van de arbeidsdeskundige van 31 augustus 2015. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.
5 juli 2015 recht op een IVA-uitkering is ontstaan. Dit besluit is gebaseerd op een brief van psychiater drs. A. van Mol van 11 januari 2016 waarin is vastgesteld dat sprake is van een borderline persoonlijkheidsorganisatie, een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 maart 2016 en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van
16 maart 2016. Ten deze beslissing op bezwaar heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
IVA-uitkering voor de verzekerde die ziek wordt indien hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
5 april 2013, deze op laatstgenoemde datum niet als duurzaam kan worden aangemerkt. Hierbij is van belang dat blijkens het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 juli 2013 de diagnose per datum in geding, 5 april 2013, een recidiverende depressieve stoornis is en dat op de in bezwaar aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van
11 juli 2013, welke FML betrekking heeft op 5 april 2013, over de duurzaamheid van de arbeidsbeperking is vermeld dat de verwachting van de verbetering van de belastbaarheid redelijk tot goed is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van
4 januari 2016, naar aanleiding van de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant in 2014, inzichtelijk uiteengezet dat ten tijde van de datum in geding nog sprake was van een matige depressie en dat de oorzaak van de volledige arbeidsongeschiktheid in 2014 gelegen is in de opvlamming van deze depressie. In 2015 zijn er drie diagnoses, te weten een depressieve stoornis, geheel in remissie, een persoonlijkheidsstoornis met cluster B trekken en depressie in partiële remissie sinds 2014, en een persoonlijkheidsstoornis met ADHD sinds 2015. De hoofddiagnose persoonlijkheidsstoornis was volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep al tijdens het werk aanwezig en heeft niet geleid tot disfunctioneren, terwijl de nevendiagnose ADHD een ontwikkelingsstoornis is die al vanaf de jeugd ontstaat en waarmee appellant langdurig zonder verzuim heeft kunnen participeren in arbeid. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 27 september 2016, naar aanleiding van het ontstaan van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid van appellant per
5 juli 2015 wegens de in de brief van psychiater Van Mol van 11 januari 2016 vermelde diagnose borderline persoonlijkheidsorganisatie, toegelicht dat deze diagnose in 2013 nog niet aan de orde was. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gewezen op het uitgangspunt in de brief van PsyQ van 9 juli 2015, te weten dat sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met cluster B trekken (borderline trekken), waarvoor appellant op dat moment werd verwezen voor drie behandelingsopties, te weten inzichtgevende psychotherapie voor de persoonlijkheidsstoornis, sociaal psychiatrisch verpleegkundige behandeling voor de psychosociale problematiek en zo nodig deeltijdbehandeling voor de ADHD. Er is geen aanleiding de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zoals vermeld in de rapporten van 4 januari 2016 en 27 september 2016 voor onjuist te houden. De in deze rapporten verstrekte motivering vormt een toereikende grondslag voor de door het Uwv ter zitting uitgesproken verwachting van de herstelkansen van appellant op
5 april 2013, in die zin dat met de toen beschikbare gegevens en kennis, uitgaande van de toen gestelde diagnoses, verbetering van de belastbaarheid niet was uitgesloten en er een redelijke of goede verwachting was dat in het eerstkomende jaar verbetering van de belastbaarheid zou kunnen optreden.
,zijnde de uiteindelijk in 2015 gestelde diagnose borderline persoonlijkheidsorganisatie waarvoor geen behandelmogelijkheden zijn en op grond waarvan per 5 juli 2015 een IVA-uitkering is ontstaan, aanleiding bestaat om appellant met terugwerkende kracht, per 5 april 2013, voor een IVA-uitkering in aanmerking te brengen. Dit betoog slaagt niet. Uit vaste rechtspraak (uitspraak van 22 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:281) volgt dat de omstandigheid dat de behandeling – achteraf gezien – geen dan wel minder verbetering heeft gebracht dan was te verwachten, geen grond is om aan te nemen dat de verwachting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep die bestond ten tijde in dit geding van belang, voor onjuist moet worden gehouden. Zoals al overwogen in 4.3 moet worden uitgegaan van de inschatting die de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten tijde van zijn beoordeling kan maken op grond van de voorhanden zijnde medische informatie. Uit de aan de IVA-uitkering ten grondslag liggende brief van psychiater Van Mol van 11 januari 2016 komt weliswaar naar voren dat de borderline persoonlijkheidsorganisatie niet in aanmerking komt voor behandeling, maar deze diagnose was, zoals appellant ter zitting heeft erkend, ten tijde in geding nog niet bekend.
29 oktober 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4471) is geoordeeld dat, wanneer in de bezwaarfase het arbeidsongeschiktheidspercentage wijzigt en er daarmee een wijziging in de resterende verdiencapaciteit ontstaat, dit een wijziging van de rechtspositie tot gevolg heeft. Hierdoor kan aanspraak gemaakt worden op vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten. Het Uwv heeft in het besluit van 26 februari 2013 vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant 76,57% bedraagt, hetgeen betekent dat er een inkomenseis geldt. In het bestreden besluit is de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald op 76,66%, maar uit het rapport van de arbeidsdeskundige van 26 juli 2013 blijkt dat de resterende verdiencapaciteit niet is gewijzigd zodat er geen gevolgen zijn voor de in artikel 60 van de Wet WIA bedoelde inkomenseis. Dit betekent dat het Uwv terecht het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 juli 2013 ongegrond heeft verklaard en terecht heeft geweigerd de in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden.
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek tot veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente af.