ECLI:NL:CRVB:2016:4413
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- O.L.H.W.I. Korte
- A. Stehouwer
- J.L. Boxum
- Rechtspraak.nl
Geen toekenning bijstand aan moeder op grond van aanvraag voor kinderen
Appellante, moeder van twee minderjarige kinderen, had namens deze kinderen een aanvraag ingediend voor bijstand volgens de Wet werk en bijstand (WWB). Op 25 juli 2013 werden twee aanvraagformulieren voor bijstand namens de kinderen ingediend. Op 30 juli 2013 richtte haar advocaat een brief aan het college van burgemeester en wethouders van Utrecht met een verzoek om bijstand, waarbij appellante stelde dat ook zij als moeder recht had op verzorging en dus een uitkering.
De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 30 juli 2013 niet-ontvankelijk, omdat deze brief niet werd gezien als een aanvraag voor bijstand voor appellante zelf, maar slechts voor de kinderen. Appellante ging hiertegen in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de brief inderdaad alleen een aanvraag voor bijstand voor de kinderen bevatte. De passage over de moeder werd uitgelegd als een verzoek om de hoogte van de uitkering voor de kinderen vast te stellen op de norm voor een alleenstaande ouder, niet als een zelfstandige aanvraag voor bijstand aan appellante. De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 15 november 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief geen aanvraag om bijstand voor appellante zelf bevatte.