ECLI:NL:CRVB:2016:440
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- G. van Zeben-de Vries
- H. van Leeuwen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging berekening maandinkomen voor WGA-uitkering door UWV niet kennelijk onredelijk
Appellante had een loongerelateerde WGA-uitkering ontvangen, waarbij het UWV haar maandinkomen op basis van fiscale gegevens had vastgesteld. Na herbeoordeling stelde het UWV vast dat appellante niet voldeed aan de inkomenseis voor een loonaanvullingsuitkering, maar slechts recht had op een vervolguitkering. Appellante maakte bezwaar tegen deze berekening en stelde dat het UWV haar gemiddelde inkomen vanaf de ingangsdatum van de uitkering had moeten berekenen.
De rechtbank verwierp het bezwaar en oordeelde dat het inkomen van een zelfstandige op basis van de fiscale jaarwinst moet worden vastgesteld en dat een opstartfase geen bijzondere situatie vormt die tot een afwijkende berekening leidt. In hoger beroep voerde appellante aan dat de berekeningswijze in strijd was met de strekking van de Wet WIA en dat de terugwerkende kracht van de verlaging van de uitkering in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukt dat de wetgever geen materiële wijziging heeft beoogd en dat het UWV het inkomen mag vaststellen op basis van een gemiddeld inkomen per kalendermaand over een langere periode. De Raad acht de berekening niet kennelijk onredelijk of onbillijk en oordeelt dat appellante voldoende was geïnformeerd over de voorschotbetaling en de mogelijkheid van terugvordering. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de berekening van het maandinkomen door het UWV wordt bevestigd.