Uitspraak
OVERWEGINGEN
F.E. van Houten van 18 april 2016.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was productiemedewerker en meldde zich ziek wegens psychische klachten. Het UWV stelde op 12 juni 2014 vast dat appellant recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering met 100% arbeidsongeschiktheid vanaf 13 augustus 2014. Appellant maakte bezwaar omdat hij meende volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn en aanspraak te maken op een IVA-uitkering.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat er een redelijke kans op herstel was, mede door effectieve behandelmethoden die nog niet volledig waren benut. De rechtbank onderschreef deze inschatting en verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bracht appellant nieuwe medische stukken in, maar het UWV handhaafde het standpunt dat duurzame arbeidsongeschiktheid niet was vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de inschatting van het UWV zorgvuldig en op individuele medische situatie was gebaseerd. De latere beperkte verbetering of het uitblijven daarvan is geen reden om de oorspronkelijke prognose te verwerpen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WGA-uitkering wordt bevestigd.