ECLI:NL:CRVB:2016:4393
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving sinds 5 juli 2007 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), waarbij haar arbeidsongeschiktheid was vastgesteld tussen 80 en 100%. Het UWV beëindigde deze uitkering per 10 juni 2014, omdat zij toen minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd door het UWV ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het besluit eveneens ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de Functionele MogelijkhedenLijst (FML) van 16 juni 2014 juist was vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen door psychische en fysieke klachten waren onderschat en dat de voorgestelde functies haar belastbaarheid te boven gingen. De Centrale Raad van Beroep verwijst naar de overwegingen van de rechtbank en concludeert dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de klachten en informatie van de behandelend sector voldoende heeft betrokken. De Raad ziet geen aanwijzingen voor verdergaande beperkingen dan vermeld in de FML. De medische stukken van appellante in hoger beroep leiden niet tot een andere conclusie.
De Raad bevestigt dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen medisch geschikt zijn voor appellante. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft gemotiveerd waarom de signaleringen in het functiebeoordelingsformulier geen belemmering vormen. Gezien deze overwegingen wordt het hoger beroep afgewezen en blijft het besluit tot beëindiging van de WGA-uitkering in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot beëindiging van de WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.