ECLI:NL:CRVB:2016:4377
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing AOR-uitkering wegens ontbreken persoonlijk oorlogsgeweld in voormalig Nederlands-Indië
Appellante, geboren in 1946 in het toenmalig Nederlands-Indië, verzocht in november 2013 om een uitkering op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). De Pensioen- en Uitkeringsraad wees dit verzoek bij besluit van 20 augustus 2014 af, omdat niet was aangetoond dat appellante persoonlijk oorlogsgeweld had meegemaakt.
Appellante stelde in bezwaar dat zij de nasleep van de oorlog nooit heeft kunnen verwerken en verwees naar het verlies van haar vader en de moeilijke omstandigheden van haar ouders tijdens de oorlog. Ook wees zij op een incident waarbij Ghurka’s haar moeder wilden meenemen tijdens haar zwangerschap, maar dit werd niet als een gebeurtenis onder de AOR aangemerkt omdat het geen persoonlijk oorlogsgeweld betrof en prenatale gebeurtenissen niet onder de regeling vallen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het standpunt van verweerder dat de AOR alleen ziet op eigen ervaringen die onder de werkingssfeer van artikel 1 van Pro de regeling vallen. Omdat appellante geen concrete feiten of omstandigheden had aangevoerd die voldeden aan de criteria van de AOR, werd het beroep ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door M.T. Boerlage namens de Centrale Raad van Beroep op 17 november 2016.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellante niet persoonlijk oorlogsgeweld heeft meegemaakt en geen aanspraak kan maken op een AOR-uitkering.