Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
4 november 2016.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als tuinbouwmedewerkster, meldde zich ziek met rug- en gewrichtsklachten. Het UWV stelde vast dat zij geen recht had op een WIA-uitkering vanwege onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar belastbaarheid was overschat, onderbouwd met medische rapporten waaronder een belastbaarheidsonderzoek van verzekeringsarts Buurman.
Het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanwijzingen vond om de beperkingen zoals vastgesteld te beperken tot tien uur werk per week. De rechtbank oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig en voldoende onderbouwd was, en dat de conclusies van Buurman niet zonder meer gevolgd konden worden vanwege het andere toetsingskader van de WWB.
In hoger beroep stelde appellante dat onvoldoende rekening was gehouden met de urenbeperking en verwees zij naar aanvullende medische informatie. De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank, overwegende dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar standpunt inzichtelijk en gemotiveerd had toegelicht en dat er geen nieuwe medische stukken waren die aanleiding gaven tot twijfel aan de beoordeling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.