ECLI:NL:CRVB:2016:4250
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- H.C.P. Venema
- J.H.M. van de Ven
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Betrokkene 1 ontving bijstand volgens de norm voor een alleenstaande, maar het college stelde dat hij zijn hoofdverblijf had aan het adres van betrokkene 2 en zij een gezamenlijke huishouding voerden, hetgeen niet was gemeld. Na uitgebreid onderzoek, waaronder observaties, verhoren en dossieronderzoek, trok het college de bijstand in en vorderde het terug.
De rechtbank vernietigde deze besluiten wegens motiveringsgebrek en onvoldoende bewijs dat betrokkene 1 zijn hoofdverblijf bij betrokkene 2 had. Het college stelde hoger beroep in tegen dit oordeel voor de periode 1 juni 2008 tot 16 april 2012. Betrokkene 1 voerde onder meer aan dat verhoren onzorgvuldig waren vanwege het ontbreken van een tolk.
De Raad oordeelde dat betrokkene 2 geen tolk wenste en dat de verhoren met Engelse tolk correct waren. Uit verklaringen van beide betrokkenen bleek dat betrokkene 1 vanaf 2008 vrijwel dagelijks bij betrokkene 2 verbleef, wat voldoende grondslag bood voor het hoofdverblijf en gezamenlijke huishouding. Het hoger beroep van het college slaagde, de eerdere uitspraak werd vernietigd en de rechtsgevolgen van intrekking en terugvordering werden gehandhaafd. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand aan betrokkene 1 wegens verzwegen gezamenlijke huishouding wordt gehandhaafd voor de periode 1 juni 2008 tot 16 april 2012.