ECLI:NL:CRVB:2016:420
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening boetebesluit UWV en voorlopige voorziening
Verzoekster ontving vanaf juni 2013 een WW-uitkering. Het UWV herzag deze uitkering in september 2014 wegens werkzaamheden die verzoekster verrichtte en legde een boete op van €1.537,30. Verzoekster vroeg om herroeping van de boete en terugkomen op het besluit, mede vanwege een echtscheidingsconvenant waarin haar ex-echtgenoot aansprakelijk werd gesteld voor de terugvordering. Het UWV weigerde dit en verklaarde de bezwaren ongegrond.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van verzoekster ongegrond omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die herziening rechtvaardigden. Verzoekster stelde in hoger beroep dat het UWV rekening had moeten houden met dringende redenen en de uitspraken van de Raad van 2014. Tevens stelde zij dat het boetebesluit haar deelname aan een schuldregeling onmogelijk maakte.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank terecht het beroep ongegrond verklaarde. Het feit dat verzoekster niet kan deelnemen aan een schuldregeling vanwege de boete, vormt geen reden voor herziening omdat de wet dit uitsluit. Er waren geen bijzondere omstandigheden die het UWV tot een ander besluit hadden moeten brengen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Er is geen proceskostenvergoeding toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het boetebesluit en het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen.