ECLI:NL:CRVB:2016:4178
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig agrarisch medewerker, viel uit met neurologische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering. Appellant maakte bezwaar en stelde dat het onderzoek onzorgvuldig was en onvoldoende rekening hield met zijn medische situatie, waaronder een tweede aneurysma en andere klachten.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen correct in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) waren vastgelegd. Appellant ging in hoger beroep, herhaalde zijn bezwaren en vroeg om benoeming van een deskundige.
De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank en vond geen aanwijzingen dat het onderzoek onzorgvuldig was of dat de medische gegevens onjuist waren beoordeeld. Ook achtte de Raad de arbeidskundige beoordeling toereikend. Het hoger beroep werd verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.