Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en gaf aan te wonen in een anti-kraakpand. Het college verleende aanvankelijk bijstand inclusief een toeslag, maar verlaagde deze later met een bedrag vanwege het ontbreken van woonlasten, omdat appellant geen huur betaalde maar een vergoeding voor bedrijfskosten.
Appellant maakte bezwaar tegen deze verlaging, stellende dat hij vanwege zijn gezondheidssituatie en de hoogte van de vergoeding niet rond kon komen en dat andere gemeenten de bijstand niet verlagen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat volgens de toepasselijke verordening woonkosten alleen bestaan uit huur of hypotheeklasten en dat de vergoeding die appellant betaalt niet als huur kan worden aangemerkt. Er waren geen zeer bijzondere omstandigheden die individuele afstemming op grond van artikel 18 lid 1 WWB Pro rechtvaardigen. De stelling van appellant over zijn financiële situatie en gezondheid was onvoldoende onderbouwd.
De Raad verwierp ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel, aangezien de WWB gedecentraliseerd wordt uitgevoerd en gemeenten beleidsvrijheid hebben. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de bijstand wegens ontbreken van woonkosten bij anti-kraakwonen zonder individuele afstemming.